“Het was… verschrikkelijk, weerzinwekkend, afgrijselijk en wanstaltig! En laat dat nu net de bedoeling zijn.”

Aldus Bram Silkens als reactie op de wandeling met gids Jan J.B. Kuipers, door Sinister Middelburg. Bram is archeoloog voor de Walcherse Archeologische Dienst, net zoals Bernard Meijlink. De heren kwamen met een prachtige vondst: de zeer markante schedel van een oud-bewoner van Middelburg.

begijntje MiddelburgSchedels zijn schedels zou je zeggen. Ze lijken toch allemaal op elkaar? Maar bij deze dame (?) is dat niet het geval.

“Dat gezicht van de werklieden toen hun spades dit grijnzende, mismaakte schedeltje blootlegden…”

We schrijven begin maart, 2016. Er waren rioleringswerkzaamheden gaande aan de Zuidsingel. Steek je in de oude binnenstad van Middelburg een spade in de grond, dan kun je zomaar op een skelet stuiten. Daarom was de WAD ook ingeschakeld, voor advies.

Bram: “Nadat we de arbeiders hadden verteld over het Pestkerkhof durfden ze haast niet meer graven. En toen dook deze schedel op”.

Een team van bouwvakkers was bezig met het graven van een leidingsleuf vlakbij de Luthersekerk, aan de Zuidsingel. Daar vonden ze en graf met daarin en half skelet. De andere helft was misschien al eens bij eerdere werkzaamheden gesneuveld. De WAD borg het skelet en maakte het schoon. Al heel snel werd iets opmerkelijks duidelijk: de schedel had geen tanden. Sterker nog: de gaten in de kaak waar ooit de tanden in hadden gezeten waren helemaal weggesleten. Dit was het hoofd van een oud persoon, die heel lang zonder tanden had geleefd.

De Zuidsingel valt samen met het terrein van het middeleeuwse Begijnhof. Hier woonden alleenstaande vrouwen samen, die een belofte van gehoorzaamheid en kuisheid aan de kerk hadden afgelegd. Ze mochten wel eigen bezittingen hebben en woonden in kleine huisjes in een hofje, waar ook een kapel was met een kerkhof.

Bernard: “Het is heel verleidelijk om het skelet aan een oud begijntje uit de middeleeuwen toe te schrijven. Je ziet het tandeloze besje zo zitten, achter de raampjes van het begijnhof”.

Maar op hetzelfde terrein werd in 1573 een pesthuis ingericht, met een grote begraafplaats eromheen. Hier zijn duizenden mensen begraven, tijdens vele verschillende epidemieën die door de steden raasden. “Alleen al tijdens de pestepidemie in het jaar 1603 wordt melding gemaakt van 556 mensen, die waren overleden aan deze ziekte”.

Of de bezitter van deze markante tandeloze schedel nu een begijntje of een pestslachtoffer is geweest, deze oud-bewoner van Middelburg spreekt door de bijzondere kinnebak enorm tot de verbeelding. Je ziet haar echt zo door de straatjes en steegjes van Middelburg schuifelen. Sowieso was het netwerk van stegen een belangrijk element in het bestrijden van de Pest: zo mochten de Cellebroeders, die de taak hadden om pestslachtoffers te verplegen en de lijken te begraven, alleen via bepaalde stegen door de stad lopen. Omdat ze een besmettingsrisico vormden mochten ze bijvoorbeeld niet op de Markt of in de Vleeshal komen. In ruil voor hun diensten werden ze door de stad verzorgd, met bijvoorbeeld een quotum in tonnen bier.

De Cellebroeders bleven nog wel eens plakken in de woning van een pestslachtoffer, vooral als de provisiekast goed gevuld was. Dan vaardigde de stad weer een verordening uit, met strengere regels voor de broeders. Maar dat is weer een ander verhaal, dat je hoort tijdens de wandeling in Middelburg. Precies weten waar het Pesthuis zich bevond in Vlissingen? Wandel dan daar een Sinister ommetje! Bestel hier je tickets!